Maaike in Edinburgh

zondag, december 11, 2005

Over Sinterklaas en pakjesavond

En toen was het weer Sinterklaastijd. In een poging de barbaren om me heen aan het sinterklaasvieren te krijgen, had ik besloten met een groepje vrienden lootjes te trekken en op vijf december surprise-avond te houden. Het bleek verbazingwekkend lastig mijn vrienden het hele gebeuren te laten begrijpen. Terwijl ik zat te oreren over die bisschop die met rode cape en lange, witte baard op zijn witte schimmel over de daken rijdt, terwijl zijn zwarte knecht pakjes door de schoorstenen naar beneden gooit (niets geks aan, toch?), was mijn gehoor in alle staten. Julián uit Colombia zat me vierkant uit te lachen, David uit de VS onderbrak me telkens ernstig om kritische vragen te stellen, Mai uit Japan kon alleen maar verbijsterd met grote ogen naar het relaas luisteren en Alex uit Canada zat me te bekogelen met pepernoten (per post ontvangen van een vroege Sint) omdat dat zo’n fijne munitie was.

Maar, na veel moeite leken ze toch door te hebben waar het hele feest in essentie om gaat en gewapend met instructies over gedichten, surprisepakketjes, cadeautjes, Pieten en Klazen en het uitdrukkelijke verbod de identiteit van hun lootje te verklappen, ging iedereen weer naar huis. Ik hield mijn hart vast…

Na enkele weken was het dan zover: het heerlijk avondje was gekomen. Men verzamelde zich bij Alex thuis voor het pré-pakjesavond diner. Vanwege tentamens hadden we besloten geen surprises te maken, maar een gedicht moest er uiteraard wel bij zijn. Ik was erg nieuwsgierig wat er van mijn indoctrinatiecampagne was blijven steken en kon niet wachten tot na het eten. Mijn “Vol verwachting klopt mijn hart” en “Zou die goede Sint wel komen” werden echter al gauw gesmoord en vervangen door jolige jazz.

Waar ik nog wel het meest benieuwd naar was, was hoe mijn gedicht ontvangen zou worden. David, wiens lootje ik had getrokken en die net als ik taalwetenschap studeert, verzamelt vreemde woorden uit de meest obscure talen. Mijn gedicht heette dan ook “Davids Balkenbrij” en bevatte niets anders dan rare, onvertaalbare en onuitspreekbare Nederlandse woorden als “Hottentot” en “dijenkletser” (mét woordenlijst op de achterkant). Traditiegetrouw moest dat gedicht opgelezen worden door de ontvanger en dat werd inderdaad een …jawel: een balkenbrij. Ik had zelf de grootste lol (tranen met tuiten en pijn in mijn buik), maar hoewel de andere deelnemers beleefd om de beurt gedicht en woordenlijst bekeken, werd de hilariteit ervan niet op waarde geschat. Sterker nog, mijn “Ja maar, jongens, het is juist de bedoeling dat je de ander een beetje voor de gek houdt” versterkte de verwarring alleen maar. Gelukkig viel het cadeau (een gekke woorden-woordenboek in 35 talen) erg in de smaak.

Iedereen had trouwens erg zijn en haar best gedaan. Het heerlijk avondje gaat bij mijn vrienden misschien niet de geschiedenis in zoals Nederlanders het normaal gesproken ervaren, door de talloze schuine grapjes over Saint Nick’s hot peppernuts, de niet heel erg sinterklazige gedichten en mijn mislukte zelfgebakken pepernoten, maar het was toch zeer de moeite waard.

Dan rest mij nog alle anonieme Goed Heiligmannen en -vrouwen te bedanken die mij zelfs tijdens dit buitenlandse studiejaar niet vergeten zijn en mij pepernoten, chocoladeletters en presentjes hebben toegestuurd. Volgend jaar ben ik gewoon weer in Nederland, ik beloof het, Sinterklaas!

zaterdag, december 03, 2005

Edinburgh spookstad

Een paar posts geleden heb ik het al gehad over Schotten en hun bijgeloof. Ladders vermijden als de pest, spugen voor geluk, zwarte katten haten, je kunt het zo gek niet bedenken. Maar waar ik het nog niet over gehad heb, is dat de mensen hier niet alleen verschrikkelijk bijgelovig zijn, maar ook oprecht in spoken geloven. Sterker nog, Edinburghers houden bij hoog en laag vol dat hun stad de meest “haunted place” is ter wereld.

Edinburgh, moet je weten, is een erg duistere stad. Ik heb het dan niet zozeer over de hoeveelheid licht die er beschikbaar is, hoewel dat er ook in steeds kleinere porties is –om half drie begint het al donker te worden en op bewolkte dagen blijft de straatverlichting aan- maar over de grauwbruine middeleeuwse en victoriaanse sfeer die over de stad hangt en een zeer, zeer gewelddadig verleden.

Verhalen van samenzweringen, moord, folteringen, doodstraffen, armoede en pestplagen zijn het die de geschiedenis van Edinburgh kleuren. Elke willekeurige stadsgids kent ze allemaal, of in ieder geval de meest gruwelijke, uit het hoofd en vertelt ze graag vanonder een donkere cape aan huiverende toeristen.

Zo is er de ondergrondse stad. Onder de Royal Mile en in de peilers van de South Bridge zijn tientallen kamertjes, gangen en zelfs hele straten te vinden, die vroeger bewoond werden door de allerarmste inwoners van Edinburgh. Hier woonden, zonder water, licht of verse lucht, de honderden Ieren en Highlanders met hun families die in de hoofdstad hun geluk kwamen beproeven. Tijdens één van de grote pestplagen die de stad teisterden, besloot het stadsbestuur in al haar goedheid en wijsheid de brave burgers van de ondergang te bewaren en liet terstond de ingangen van de ondergrondse stad afsluiten, zodat de paupers niemand meer konden besmetten. Geen muis (behalve de ratten) kon er meer in of uit en iedereen crepeerde tot de laatste man. Eeuwenlang bleven de spelonken afgesloten, totdat halverwege de negentiende eeuw twee archeologen geinteresseerd raakten en er op onderzoek uitgingen. Los van elkaar gingen ze in aangrenzende kamers op zoek naar interessante bevindingen. Beiden voelden ze zich niet op hun gemak in de donkere, vochtige omgeving en ze waren dus opgelucht dat de ander af en toe wat riep om contact te houden. Echter, toen ze elkaar na een uur of wat buiten weer ontmoetten, bleek dat geen van de beide archeologen ook maar een woord gezegd had…

Sindsdien zijn er talloze onderzoekers, spokenjagers, paranormaal begaafden en zelfs wetenschappers geweest om de bovennatuurlijke activiteit te meten in de voormalige ondergrondse stad. Allen zeggen ze hetzelfde: in de spelonken onder Edinburgh spookt het dat het een aard heeft!

Leuke verhalen voor bij een kampvuur, zou je zeggen, maar spoken zijn in Edinburgh aan de orde van de dag. Tijdens mijn eerste weken woonde ik in een hostel totdat ik een appartement gevonden had. Gasten die hun bed toegewezen kregen in de onderste slaapzalen, werden regelmatig wakkergeschud door een onzichtbare hand, vreemde geluiden of gepraat terwijl er niemand was. Eenmaal vertelde een meisje lijkbleek aan het ontbijt dat ze ‘s nachts een lijk in haar bed had gevonden. Ze dacht dat het om een zeer realistische nachtmerrie ging, totdat haar verteld werd dat het hostel ooit een psychiatrische inrichting was en dat haar slaapzaal de kelder was waar lijken bewaard werden.

De nuchtere Hollander haalt bij het horen van zulke prietpraat zijn of haar schouders op of zal hoogstens de wenkbrauwen fronsen. Maar voor de Schot zijn dit serieuze zaken die niet licht over het hoofd gezien mogen worden. Een van mijn vrienden, Naomi uit de USA, woont in een mooi en oud studentenhuis aan Bruntsfield Links, een uitgestrekt en licht glooiend grasveld, waar het bij mooi weer goed toeven is en waar menig golfliefhebber graag een balletje slaat. Naomi’s Schotse huisgenote weigert echter ook maar één voet op het gras te zetten, want die idyllische heuveltjes zijn niets anders dan heuse massagraven, met daarin de pestslachtoffers van rond de dertiende eeuw! En als rechtgeaarde Schot raakte ze dan ook terecht over haar toeren toen ze erachter kwam dat het studentenhuis precies bovenop zo’n graf gebouwd is.

Zo zijn er tientallen bizarre en vreemde zaken die me telkens weer verbazen. Of het nou een parkeerplaats is waar onder parking lot 23 John Knox (belangrijk man binnen de Free Church of Scotland) begraven ligt, of een kerkhof dat tijdelijk afgesloten wordt vanwege lastige geesten, de griezelverhalen zijn hier niet van lucht. Het lijkt er zelfs op dat ik behalve twee Amerikanen ook een spookje als huisgenoot heb: elke dag, stipt om vier uur 's middags, gaat bij mij thuis de telefoon. Als je opneemt, is er geen geluid te horen. Een grappenmaker? Misschien. Echter, de telefoon rinkelt al vanaf de eerste dag dat we er wonen, terwijl we pas een paar weken een aansluiting hebben...

vrijdag, december 02, 2005

Arthur's Seat

Ik woon aan de voet van een vulkaan. Een uitgedoofde, weliswaar, en groot is hij ook niet bepaald, maar toch. Een excentriciteit die je alleen in een land als Hawaï, of Guatemala zou verwachten, nooit gedacht dat ik er ooit eentje praktisch in mijn achtertuin zou hebben.

Nu is het eigenlijk helemaal geen uitzonderlijkheid in de nabijheid van een (uitgedoofde) vulkaan te wonen. Er zijn namelijk veel meer berg- en heuvelgebieden die door vroegere vulkanen zijn ontstaan dan mensen denken. Afgelopen jaar is bijvoorbeeld ontdekt dat onder Ameland een restant ligt van een oude vulkaan. Zo oud, dat hij helemaal afgesleten is en bedekt door waddenslib.

“Mijn” vulkaan, de Arthur’s Seat, is echter wel uitzonderlijk mooi. Loop je van Edinburgh Castle over de Royal Mile een koninklijke mijl naar het oosten, dan wandel je pardoes tegen de heuvel aan. Middenin het stadscentrum rijst hij woest vanachter het parlementsgebouw op, meer dan tweehonderd vijftig meter de hoogte in. Loop je nog een stukje verder, dan zie je daar een ommuurd paleis liggen, met vlak ernaast de ruïne van een enorme kathedraal. Ongeveer tweehonderd meter verderop, precies ten noorden van de Arthur’s Seat, woon ik.

Het hele gebied was vroeger letterlijk de achtertuin van generatie op generatie koningshuis, dat in het paleis woonde. Nu is het een recreatiegebied, niet alleen leuk voor toeristen die dan mooie panoramafoto’s kunnen schieten van het uitzicht, maar ook is het heel fijn voor vroege vogels die graag wakker willen worden met een frisse wandeling. Zo zul je mij regelmatig ’s ochtends met een slaperig hoofd mijn voordeur uit zien stappen, mijn rubberlaarzen aan de straat uit en, hup, de paden op, de lanen in.


Een wandeling kan er als volgt uitzien. Eerst volg je een paadje langs de paleismuur, waarna je bij een uitgestrekt grasveld uitkomt. Hier spelen bij mooi weer mensen spelletjes, of picknicken, wandelen, kletsen, jongleren. Als je het grasveld oversteekt, kom je bij een meertje waarin belachelijk veel zwanen, eenden en meeuwen hun huis hebben gemaakt. Daarna kan de klim beginnen. Je zou naar de kleine ruïne kunnen klauteren die nog over is van de kapel annex verdedigingstoren en daar alvast een voorproefje nemen van het uitzicht dat komen gaat. Daarna door naar de top. Eenmaal op het hoogste punt aangekomen (er zijn er drie), heb je een overweldigend uitzicht. De stad strekt zich aan je voeten uit en ten zuiden van Edinburgh de zachte groene heuvels van Zuid-Schotland. In het oosten zijn de Noordzee en de havenstad Leith en als je naar het noorden kijkt, vind je aan de andere kant van de zeearm Firth of Forth de Highlands (tegenwoordig met stevige sneeuwkap). Wat een land!

Een paar weken geleden vierde Edinburgh Guy Fawkes Day. Guy Fawkes probeerde vierhonderd jaar geleden met hulp van twintig vaten buskruid koning James I met parlement, ministers en al om te brengen, werd opgepakt en ter dood veroordeeld. Hoewel hij tegenwoordig een terrorist genoemd zou worden, wordt dit stukje verzet tegen de Engelsen al eeuwenlang elke 5 november geëerd. Overal in de stad wordt vuurwerk afgestoken en worden strooien poppen in kampvuurtjes gegooid.

Om dit schouwspel goed te kunnen zien, gaan traditiegewijs de studenten Arthur’s Seat op. Dit is niet heel gemakkelijk, vooral als je je bedenkt dat de paden heel kronkelig zijn en de nacht heel donker, maar het komt zelden voor dat er slachtoffers vallen. Rond acht uur heeft een menigte studenten, drank en kleine vuurwerkjes zich op de top verzameld en kan de pret beginnen. Applaus als het eerste vuurwerk de lucht ingeschoten wordt. Misschien nog wel mooier dan het uitzicht dat je overdag hebt over zee en Highlands, is het uitzicht over een nachtelijk Edinburgh van waaruit honderden kleuren omhoog ploffen. Dat, samen met de knallende kurken van vieze goedkope champagne, de kou, de sterren en de uitbundige mensen om me heen, heeft een diepe indruk op me gemaakt. Enigszins enerverend was de afdaling: nog steeds aardedonker, maar nu bergafwaarts en met wat drankjes op, het was wat je noemt een spannende onderneming! Wat een stad!